Ik kom net terug van een korte maar ongelooflijk ontspannende vakantie.
Vier dagen zonder wekker, zonder constant het uur te checken, zonder plannen. Gewoon meegaan met de flow van de dag. Geen verwachtingen, alleen het hier en nu. Het was alsof mijn lichaam en hoofd opgelucht ademhaalden: eindelijk even niets moeten. Ik voelde hoe snel alles wat “moet” van me afgleed en hoe ik in een andere rol stapte. Niet alleen in het gezelschap rond mij, maar ook in mezelf. Alles was goed zoals het kwam. Ik hoefde niets te zien, niets te doen, niets te bewijzen.
Wat me misschien nog het meest opviel: ik had totaal geen behoefte om mijn gsm te checken. Geen drang om te scrollen, geen nieuwsgierigheid naar wat ik misschien zou missen. Mijn brein leek eindelijk verzadigd. Ik dacht alleen maar: “Er is niets wat ik wil zien op mijn gsm.” En dat klopte ook echt.
Het contrast tussen wie ik ben in rust en wie ik word op drukke dagen vond ik bijzonder frapant. Ik zei tegen mijn vriendin: “Ik word zo gelukkig van buiten zijn, de natuur in te gaan, gewoon te mogen kijken, luisteren, voelen. Maar ik doe dit weinig tot nooit.” Hoe gek is dat? Waarom ben ik op een doorsnee dag, zelfs na alle inzichten van mijn burn-out, nog steeds zo ver verwijderd van wie ik echt ben?
Waarschijnlijk omdat mijn brein — net als dat van iedereen — graag kiest voor de weg van de minste weerstand. Dat gemakzuchtige, tamme brein dat quick fixes wil: scrollen, plannen, rennen, voldoen. Het bedoelt het goed, het wil energie besparen en me beschermen tegen inspanning. Maar net daardoor duwt het me soms weg van wat me écht voedt.
Het contrast met mijn gewone dagen was zo groot dat het me bijna choqueerde. Ik betrapte mezelf meermaals op de gedachte: Waar ben ik eigenlijk mee bezig? Want het leven zou vaker zo mogen voelen. Niet per se het reizen, maar het leven in het moment. Bewust zijn van wat er rondom mij gebeurt. Genieten van wat ik zie. Mijn lichaam voelen, mijn hartslag bij inspanning, de eenvoud van aanwezig zijn.
En toch — het waren geen vier volledig zen dagen. Ik merkte hoe snel ik weer in mijn hoofd schoot wanneer iets moeilijk werd. Een steile helling die me schaamte bezorgde omdat mijn lichaam protesteerde. Een afdaling in het bos waar mijn angst om uit te glijden meteen mijn zenuwstelsel in alarm zette. De schrik toen ik mezelf op foto zag en besefte dat ik meer was bijgekomen dan ik dacht — een reflex die meer zegt over oude overtuigingen dan over mijn lichaam zelf. De schaamte over mijn gevoelige maag en darmen, terwijl anderen daar minder last van leken te hebben.
Het is fascinerend hoe snel het brein verhalen maakt, hoe het lichaam signalen geeft, en hoe die twee elkaar soms versterken in plaats van verzachten. Oude patronen die even opduiken, zelfs wanneer je in rust bent. Hardnekkige overtuigingen die fluisteren dat je moet presteren, moet meedoen, moet voldoen.
Als ik er nu op terugkijk, zie ik hoe menselijk dat allemaal is. Hoe snel schaamte opduikt, zelfs wanneer dat helemaal niet nodig is. Hoe mijn brein me soms wil beschermen door me klein te houden. En ja, ik was moe van de lange, actieve dagen — en zelfs daar voelde ik schaamte over. Terwijl die vermoeidheid eigenlijk gewoon een logisch gevolg was van bewegen, buiten zijn, voelen, leven.
Maar onder al die gedachten zat een diepe rust, een helderheid. Een herinnering aan hoe het óók kan. Hoe ik wil leven. Hoe ik wil voelen. En dat besef neem ik mee naar thuis.
Reactie plaatsen
Reacties